Cultuur en Onderwijsbeurs

Afbeelding  —  Geplaatst: maart 18, 2014 in Uncategorized
Tags:, ,

BUG

Geplaatst: februari 11, 2014 in Uncategorized

Zaterdag bezocht ik de première van Jakop Ahlbom’s nieuwste voorstelling: Bug. Een thriller, een horror, geschreven door de Amerikaan Tracy Letts. In tegenstelling tot Ahlbom’s vorige voorstellingen, stond nu niet de beweging, maar de tekst centraal. Een well made play, over de gekte en paranoia van een man die steeds heftiger vormen begint aan te nemen. In een interview voorafgaand aan de première, beschrijft Ahlbom dat hij bij het lezen van de tekst onmiddellijk dacht: “hierin kan ik mijn verbeelding kwijt. In het proces is er echter veel aandacht geweest voor de tekst.” In de eerste recensies wordt juist dat bekritiseerd: Ahlbom is geen tekstregisseur en zijn vaak surrealistische en absurde verbeelding wordt bij Bug node gemist. Het roept bij mij twee vragen op: in hoeverre wordt Ahlbom afgerekend op het feit dat hij een andere weg is ingeslagen? Verwacht men bij de eerste scene al de hoofden uit bedden en bloederige lichamen met zes armen? En hoe groot is de onrust bij het publiek als dat niet wordt ingelost? De recensent schrijft dat de gebruikte trucs plichtmatig aandoen, dat Ahlbom te weinig heeft vertrouwd op zijn eigen stiel en kwaliteit. Hij had de tekst naar zijn mening overboord moeten gooien, aangezien deze rechtlijnige tekst hem alleen maar in de weg heeft gezeten. Dat zou kunnen, maar ik vermoed dat er iets anders meespeelt, namelijk dat mime- en bewegingsvoorstellingen sowieso hoger op de recensie-ladder staan. Aangezien we in het dagelijks leven met elkaar toch voornamelijk communiceren via taal is het gemakkelijker iemand daarop af te rekenen. We denken met dezelfde woorden hetzelfde te zeggen, maar het is natuurlijk allang bewezen dat dat niet zo is. Een voorstelling zonder tekst laat volgens de publieke opinie meer aan de verbeelding over. Maar is dat wel zo? Is een non-verbale, onhandige ontmoeting tussen twee mensen, niet net zo letterlijk als de tekst: ‘goh wat doe jij eigenlijk hier zo vlak bij mij, terwijl ik net wil gaan zitten?’ En is een dagelijkse handeling met een – ik zeg maar even iets – keukenmachine, niet net zo gemakkelijk als iemand die zegt: “ik vind het fijn om een green smoothie te maken.” Is het geluk van de kijker die ineens begrijpt wat er met de handeling wordt gezegd niet groter dan wat we feitelijk voorgeschoteld krijgen? Is het misschien zo dat wat we in het dagelijks leven vaak met taal op proberen te lossen, dat hier ineens een vorm krijgt die ons relatief onbekend is. En maakt onbekend hier misschien geliefd? Ik verwijt recensenten dat zij niet meer zoeken naar het mysterie achter de taal. Want ja, ook bij Ahlbom’s voorstelling was deze zeker aanwezig. Het is te gemakkelijk om bij een eerste interpretatie van de woorden te stoppen. Dat doet de worsteling en de complexe verhouding van de personages tekort.

 

 

ANWB Kinderroutekaarten

In samenwerking met Studio TokTok bedacht en schreef ik mee aan de ANWB kinderroutekaarten. Oplage: 1 miljoen..!

Afbeelding  —  Geplaatst: juni 14, 2013 in Uncategorized

Afbeelding  —  Geplaatst: februari 4, 2013 in Uncategorized

Grand Prix voor Ymere Werkt.

Geplaatst: november 23, 2012 in Uncategorized

Eric Went/Went Werkt. won gisteravond deze prachtige prijs. Als een van de schrijvers van dit magazine gloei ik een beetje mee van trots!

Winnaars Grand Prix Customer Media

De winnaar in de categorie Business to Business Print is Ymere werkt.

Ingezonden door: Went Werkt Journalistiek en Overhaus
. Opdrachtgever: Ymere

. Dit magazine is krachtig in al zijn eenvoud. Het is met liefde en zorg gemaakt. Je voelt dat het blad doet waar het voor gemaakt is. Het is een magazine dat de organisatie een warm gezicht geeft. Het maakt Ymere daarmee heel sympatiek. Daar kun je als bedrijf trots op zijn. Zeker als deze kwaliteit ook nog eens wordt bekroond met een Grand Prix.

Pleun in de krant!

Geplaatst: november 23, 2012 in Uncategorized

Image

Dialoog Breestraat

I           2012

Schemering, laten we zeggen een uurtje of zeven ’s avonds, een herfstige regenachtige dag. We zien de Breestraat in een staat van verregaande ontbinding. Er zitten gaten in de geasfalteerde weg, putdeksels liggen open. Ruiten van winkels zijn gesneuveld of beplakt met enorme posters van makelaars. Uit het Rijnlandblok hangen krakers, er klinkt harde metalmuziek en geluid van ontploffingen en beschietingen uit de ramen of wat daar van over is. Bussen rijden met minstens 80 km per uur door de straat. Je ziet grote aantallen fietsers met gevaar voor eigen leven zich door het verkeer manoeuvreren, kinderen met oorlogshelmpjes zitten vastgegespt achterop.

 In een gat in de weg, voor het gebouw van Minerva zit een mannelijke Minervaan. Uit een put steekt het hoofd van een andere, vrouwelijke Minervaan. Beiden aangeschoten.

 A            Jezus mop. Ik moet bieren.

 B            Godverdomme. Ik pis zowat in mijn broek.

 A            Vrouwen. Eerst bieren, dan zeiken. Heb je je plaszak niet bij je?

 B            Ik wil echt pissen. Op een plee.

 A            We komen hier nooit weg. We bellen Teeuwen.

 B            Teeuwen zit in het Rijnlandblok.

 A            Jezus, de schijtzak. Wat doet hij daar?

 B            Geen idee, hij schiet nogal graag. Traumaatje.

 A           Wat moet hij bij dat linkse gewapende tuig? Het zijn allang geen anarchisten meer. Pragmatische profiteurs. Hoelang heeft dat pand leeg gestaan? Een jaar of vier hooguit, toch geen dag langer. Tjezus, en dan met z’n allen tegelijk naar binnen rammen, deuren forceren, schietgaten in de gevels maken en vuren maar. Die schijterige politici durven in geen straal van 100 meter bij ze in de buurt te komen…

 B           Jezus klootzak, dat begrijp ik ook wel.

 A           (windt zich meer op) Oh ja, oh ja, omdat ze dan een pistooltje op hun zweterige voorhoofdjes gedrukt krijgen? Als het een nou een Kalasjnikov was. Slappe vaatdoeken zijn het. Jezus wat moet ik bieren zeg. Geen beslissingen. Geen keuzes. De hele boel gaat hier naar de godskolere en geen van die onderkruipsels durft naar de interruptiemicrofoon van dat bedompte raadszaaltje te lopen. Alleen Teeuwen durft nog naar binnen in dat hol. Teeuwen is onze held. Teeuwen for president of the Breestraat!

 B           Bukken A!

            (een bus zoeft over het hoofd van A voorbij, mist hem rakelings)

 A           De 169, dat is de ergste. Die vent is de Kim Yong Il van de Breestraat. 120, voor minder doet hij het niet. Bushalte? Nooit van gehoord. Voor die drie forensjes die hier uit moeten stappen, stopt ie niet. Luister neukveulentje van me, deze straat is niet de A4, het is het circuit van Zandvoort. En nou ga ik bieren.

B           Doe dat nou niet, het is spitsuur, lul. Zestig bussen en dertienhonderd fietsers per uur!

A           Hoe lang zit jij hier dan al?

B           Drie dagen.

A           Drie dagen?!

B           Ja, het is gewoon heel druk. Ik zie geen kans om…

A           En waar zeik jij dan? Zonder plaszak?

B           Het loopt hier rechtstreeks het riool in.

A           Gadverdamme B. Je zit zeker vast met die bierheupen van je.

B           Ik ga niet mijn kop in de waagschaal leggen om een schoon broekje te houden, vriend. En trouwens, bij de Sociëteit zijn die plees net zo ranzig als mijn slipje nu.

A           Ah Jezus, ik lig vanavond niet met jou in één bed, ik wacht net zo lang tot een fris chickie me komt halen.

B           Hé kijk dan wie daar aan komt! Met z’n gebloemde overhemd…

A           Is het Nico? Is het waar: gaat Nico een kappertje pakken? Hij gaat natuurlijk bij de eerste de beste naar binnen. Sukkel. Er zijn er veertig dichtertje! Veertig!

B           Nico heeft alleen hemden met grafstenen.

A           Dan is het Armin. Jij doet het op Armin. Is ie gewapend? Hij zal toch niet ongewapend door de Breestraat lopen?

B           Nee man.

A           Hij heeft natuurlijk een tank. Ja hoor, dat kan alleen Armin zich veroorloven. Wij liggen met onze brakke kop zonder helm weerloos in een put, maar Armin gaat naar de Coffee Company met een tank!

B           Nee man, het is Armin niet.

A           Houd me niet langer in spanning, bitch.

B           Het is Jochem!

A           Jochem?! Is ie beter dan?!

B           Blijkbaar.

A           Jezus, B-tje, ik zie het.

B           Wat doet ie nou?

A           Hij loopt hard. Man, je hoort hem hier piepen.

B           Dit is toch niet goed voor zo’n jongen, hij is er echt te lang tussenuit geweest. Hij weet niet wat hem te wachten staat. Hé Jochem! Lul!

A           Jochem, pisnicht! Ga eens op de stoep man! Ja dat is een stoep! Nou ja, spring op die losse tegels. Pak die tegels. Niet?! Waar loopt ie nou naartoe?

B           In de paal. Ademnood. Abri Jochem, abri! Niet die Zeeman abri! Die houdt het niet!

A           Dan het trapje. Trapje omhoog bij dat bruidje, Jochem! Hij weet niet waar hij over moet steken.

B           Jochem, pas op, fietsophoping. Erlangs Jochem, erlangs!

A           Ach, midden in de plantenbak. Klim eruit Jochem, kom hierheen, naar de Sociëteit!

B           Hier is het bier Jochem!

A           Nee, niet daar, dat is al een jaar dichtgespijkerd!

B           A! Kijk, daar komt de 169! (je hoort een enorme klap, daarna stilte)

A           Jezus. (stilte)

B           Het laatste beetje humor dat Leiden nog bezat is zojuist ten onder gegaan.

A           Kim Yong Il, ik zei het toch. He slet, biertje? Ik haal het wel.

 II             2017

Het is 2017. In het midden van de Breestraat, onder het bordes voor het gemeenteraad staat de voltallige gemeenteraad. Wethouder C (man) spreekt vanaf het bordes, naast hem glunderend ambtenaar B (vrouw).

C           Daarom ben ik blij met jullie, mensen. Dat jullie hier durven staan. De voltallige gemeenteraad van binnen naar buiten. Een hoofdelijke stemming, wat heb je nodig? Een microfoon, een rechterhand, jullie gezond verstand. Omringd door de gewone man, de burger. Fijn mensen, dat jullie met zo velen hier zijn gekomen om dit historisch moment mee te maken. (B fluistert iets in zijn oor) Moment. Geeft u mijn lieftallige B alvast een applaus, wat zij aan inzet heeft getoond, dat is de titel ambtenaar niet waard. (gegniffel)

Ik vraag u te luisteren. (het is stil) Wat hoort u? Een fietsbel, een föhn. Of drie. Een rinkelende kassa en een boormachine. Juist. Ik zeg verder niets, ik laat de geluiden voor zich spreken mensen. Dan zijn woorden overbodig. Maar goed, dan zouden we hier morgen nog staan en aangezien mijn ambtenaren staan te popelen weer aan het werk te gaan, trek ik een spreekwoordelijke sprintje naar een fantastische apotheose van dit samenzijn. (neemt een slokje water, B knikt hem bemoedigend toe)

Vijf jaar geleden was dit een oorlogsgebied. Een warzone, een loopgraaf. Geen snelweg, maar het circuit van Zandvoort. Mensen waren bang, ja mensen, u hoort het mij zeggen, bang om hier te zijn. Zeker na het vreselijke…het niet meer uit de geschiedenis te wissen ongeval met onze geliefde cabaretburgemeester. Het heeft jaren geduurd voordat we collectief die klap te boven zijn gekomen. Deze plek is beladen, maar het is goed om hier met elkaar te zijn. (stilte) Hoor wat ik zeg: het is tijd om de openbare ruimte terug te vorderen. Niet de bus, maar de mens is de baas van deze straat.

De straat moet weer de veilige haven worden die het ooit was. Een haven waar iedereen welkom is, natuurlijk, maar wél met een mooie boot. Zoals de schoonheid van deze stad. Want kijk eens naar boven: wat een schitterende historie krijgt u hier gratis en voor niets. Alleen de mooiste boten krijgen een plek. Leggen aan met behulp van de beste stuurlui en zijn trots dat ze hier, in onze veilige haven mogen liggen. Het bootje heeft er plezier in de mensen zo te zien genieten van hun eten aan de kade, onder het genot van concertklanken. En na het eten laten ze het geld als vanzelf laten rollen; er is ook zoveel aanbod aan verfijnde winkeltjes. Aan het eind van de avond zakt de zon, het water spiegelt, je kijkt erin en ziet niet zomaar een boot. (gedragen) Wat je ziet heet gelukzaligheid.

             (zucht, kijkt naar B, die begint weer te applaudisseren terwijl ze een traantje wegpinkt, sommigen klappen mee)

En daarom besten, vraag ik jullie nu je hand omhoog te steken. Niet omdat ik dat wil, maar voor uw veiligheid én die van uw kinderen. Dus steek uw hand op als u nooit, maar dan ook nooit meer een bus – een lelijke aftands grachtenbootje – door onze haven wilt zien varen. Mensen, ban de bus!           

(iedereen steekt zijn of haar hand op, luid applaus volgt, ook van de mensen eromheen)

En dan nu: aan het werk! Er moet nog een hoop gebeuren voordat de boten binnen kunnen varen! Hup hup, kappers verenigd én verminderd u, winkeliers stal uw waar buiten, kunstenaars sta op en laat je zien, kinderen bouw je zeepkist, buren plant nieuwe bomen, koren oefen aan je smartlap, het festival is in zicht! (iedereen gelijk, bijna rennend af)

 B           Je was geweldig…

 C           Je hebt het zelf geschreven…

B           Niemand kan zo goed liegen als jij.

C           Mag ik dan nu met je naar bed?

B           C, je dochter heeft om 19.00 uur haar viooluitvoering

C           Ik heb het voor jou gedaan hè, pop?

B           Je krijgt er toch ook wat voor terug…

C           Onze Breestraat-ambassadeur waren we wel in één klap kwijt…kan ik nog steeds van balen, weet je dat.

B           Ik wil van die beelden af, snap je…nog elke nacht zie ik die blonde krullen onder de 169. Theo van Gogh was er niets bij… Als ik misschien iets harder had…maar ik zat vast C, ik zat vast…

C           Weg met dat schuldgevoel poppedein. Het wordt beter. Alles wordt meer. Heupjes zijn al weg, borsten nu vooruit. Hier, kom, kus me in de diefsteeg.

B           Nee, niet in de diefsteeg.

C           Hier, hier?

B           Ja, hier op het bordes, in het sfeervolle licht, in de Breestraat. Dit wordt de plek. Dit wordt onze veilige haven.

III            2022

            Op een terras bij het Rijnlandblok, uitkijkend over het water, zit onder een boom, een jonge jongen met blonde krullen, beetje heen en weer te wippen op zijn (strand) stoel. Hij is aan het schrijven op bierviltjes en neuriet wat.

 A           (op de muziek van Mexico, Mexico) Brestratio, brestratio!

(er komt een vrouw van ongeveer begin 30, huilend aangelopen, haar mascara is doorgelopen)

A           Hehehe! Anders kom je even hier zitten. Kom hier zitten. Mens! Luister nou eens! Kom hier zitten! Het is hier leuk. Leuk. Leuk. Schiet op mens, wat is er met je aan de hand?

B           Hij is weg.

A           Tuurlijk, je bent te oud, pop. Kijk naar mij, neem een jonge knul, (lacht) hahaha, dat had je niet verwacht hè? He luister, ik ben een lied aan het schrijven voor de heropening a.s. zaterdag. Brestratio, brestratio! Wat vind je ervan?

B           Het is af.

A           Nee, lieverd. Het is nog niet af. Maar dat geeft niet. Het is een ode, weet je. Een ode aan m’n pa. Ik was tien toen die doodging. Hier. Pats boem. De chauffeur was de Kim Yong Il onder de buschauffeurs…

B           En dus heeft hij me niet meer nodig.

A           Lullig hè? Toen reden hier nog bussen! Haha, kan je je voorstellen? Hier, bussen, door deze fantastische straat. Nu kan je hier shoppen man. Geen stoplichten. Bomen. Slingerpaadjes. Ik klim graag in een boom, weet je?

B           (over zichzelf) Geweldig projectleidster. Hart voor de zaak. ‘Geweldig schat wat je allemaal voor elkaar hebt gekregen: langere openingstijden, kraampjes op zaterdag, ruimte voor experiment. Zonder jou was het mij allemaal nooit gelukt.’

A           Jaha, dat zie ik ook gelijk. Dat straal je uit. Kom niet zo janken joh, kijk nou eens  om je heen. Wat er allemaal is. Zie je: gevels. Er staan hier gevels. Man, m’n pa zou zo trots zijn geweest.

B           Ik ben de afgelopen vijf jaar niets meer voor hem geweest dan zijn opstapje naar de landelijke politiek.

A           Ach, schatje, dushi. Je bent jong. Er ligt nog een hele Breestraat voor je (lacht om eigen grap). Weet je dat ik al van het zwevend dakterras aan het stadhuis gesprongen ben? Zo de bomen in. Zonder touwen. Geweldig. M’n pa zou zo trots op me zijn geweest.

B           (cynisch) Nou meneer Maters, ik wens u er alle geluk bij.

A           Zaterdag is de opening hè? Plein aan bij het Gangetje is zo fantastisch. Wist jij, schatje, en nu vrolijk ik je op, liefje, dat weet ik, dat er mensen uit Amsterdam komen om hier te zien en gezien te worden? Trendy en kwaliteit. Maar dan zonder dat arrogante.

B           Hij heeft dat hele Stadslab nog opgericht. Maar het was hem niet om Leiden te doen. Meneer Maters wilde macht. Van tekstschrijvertje, naar wethouder naar minister president. Mijn zegen heeft ie.

A           Stadlab?

B           Ja,  en jij weet ook niet meer wanneer de WOII begon.

A           Nou…

B           Maar als ie maar niet vergeet dat ík het Modern Art het oude postkantoor in heb gekregen…ik heb er heel wat nachten voor…

A            Gatver..

B           Maar dat hele Stadlab heffen ze nu op. Niet meer nodig. De stad is klaar. Alles is af. Nieuwe ondernemers. Nieuwe hotels. Zelfs nieuwe vogelsoorten in de bomen. Goede publiciteit voor de nieuwe dependance van Naturalis.

A           Lieve schat, ik zou willen dat ik je wat op kon vrolijken. Ik ben een optimist hè? Het leven is een feestje. Kijk nou eens om je heen. Dit gebouw, Rijnlandblok toch? Afzichtelijk gebouw eigenlijk, als je goed kijkt. Maar je ziet het niet, want er gebeuren hier zulke toffe dingen. Hier begint het hè? Hier zit de harde kern. En een geweldig restaurant. Als je dat nou bedenkt, dat niet alles is wat het lijkt en andersom. Ik schrijf hem op, geweldig iets voor m’n volgende programma. (schrijft iets op een bierviltje) Dan kom je een heel eind, pop. Ik zeg: biertje?

B           Graag.