Dialoog Breestraat

I           2012

Schemering, laten we zeggen een uurtje of zeven ’s avonds, een herfstige regenachtige dag. We zien de Breestraat in een staat van verregaande ontbinding. Er zitten gaten in de geasfalteerde weg, putdeksels liggen open. Ruiten van winkels zijn gesneuveld of beplakt met enorme posters van makelaars. Uit het Rijnlandblok hangen krakers, er klinkt harde metalmuziek en geluid van ontploffingen en beschietingen uit de ramen of wat daar van over is. Bussen rijden met minstens 80 km per uur door de straat. Je ziet grote aantallen fietsers met gevaar voor eigen leven zich door het verkeer manoeuvreren, kinderen met oorlogshelmpjes zitten vastgegespt achterop.

 In een gat in de weg, voor het gebouw van Minerva zit een mannelijke Minervaan. Uit een put steekt het hoofd van een andere, vrouwelijke Minervaan. Beiden aangeschoten.

 A            Jezus mop. Ik moet bieren.

 B            Godverdomme. Ik pis zowat in mijn broek.

 A            Vrouwen. Eerst bieren, dan zeiken. Heb je je plaszak niet bij je?

 B            Ik wil echt pissen. Op een plee.

 A            We komen hier nooit weg. We bellen Teeuwen.

 B            Teeuwen zit in het Rijnlandblok.

 A            Jezus, de schijtzak. Wat doet hij daar?

 B            Geen idee, hij schiet nogal graag. Traumaatje.

 A           Wat moet hij bij dat linkse gewapende tuig? Het zijn allang geen anarchisten meer. Pragmatische profiteurs. Hoelang heeft dat pand leeg gestaan? Een jaar of vier hooguit, toch geen dag langer. Tjezus, en dan met z’n allen tegelijk naar binnen rammen, deuren forceren, schietgaten in de gevels maken en vuren maar. Die schijterige politici durven in geen straal van 100 meter bij ze in de buurt te komen…

 B           Jezus klootzak, dat begrijp ik ook wel.

 A           (windt zich meer op) Oh ja, oh ja, omdat ze dan een pistooltje op hun zweterige voorhoofdjes gedrukt krijgen? Als het een nou een Kalasjnikov was. Slappe vaatdoeken zijn het. Jezus wat moet ik bieren zeg. Geen beslissingen. Geen keuzes. De hele boel gaat hier naar de godskolere en geen van die onderkruipsels durft naar de interruptiemicrofoon van dat bedompte raadszaaltje te lopen. Alleen Teeuwen durft nog naar binnen in dat hol. Teeuwen is onze held. Teeuwen for president of the Breestraat!

 B           Bukken A!

            (een bus zoeft over het hoofd van A voorbij, mist hem rakelings)

 A           De 169, dat is de ergste. Die vent is de Kim Yong Il van de Breestraat. 120, voor minder doet hij het niet. Bushalte? Nooit van gehoord. Voor die drie forensjes die hier uit moeten stappen, stopt ie niet. Luister neukveulentje van me, deze straat is niet de A4, het is het circuit van Zandvoort. En nou ga ik bieren.

B           Doe dat nou niet, het is spitsuur, lul. Zestig bussen en dertienhonderd fietsers per uur!

A           Hoe lang zit jij hier dan al?

B           Drie dagen.

A           Drie dagen?!

B           Ja, het is gewoon heel druk. Ik zie geen kans om…

A           En waar zeik jij dan? Zonder plaszak?

B           Het loopt hier rechtstreeks het riool in.

A           Gadverdamme B. Je zit zeker vast met die bierheupen van je.

B           Ik ga niet mijn kop in de waagschaal leggen om een schoon broekje te houden, vriend. En trouwens, bij de Sociëteit zijn die plees net zo ranzig als mijn slipje nu.

A           Ah Jezus, ik lig vanavond niet met jou in één bed, ik wacht net zo lang tot een fris chickie me komt halen.

B           Hé kijk dan wie daar aan komt! Met z’n gebloemde overhemd…

A           Is het Nico? Is het waar: gaat Nico een kappertje pakken? Hij gaat natuurlijk bij de eerste de beste naar binnen. Sukkel. Er zijn er veertig dichtertje! Veertig!

B           Nico heeft alleen hemden met grafstenen.

A           Dan is het Armin. Jij doet het op Armin. Is ie gewapend? Hij zal toch niet ongewapend door de Breestraat lopen?

B           Nee man.

A           Hij heeft natuurlijk een tank. Ja hoor, dat kan alleen Armin zich veroorloven. Wij liggen met onze brakke kop zonder helm weerloos in een put, maar Armin gaat naar de Coffee Company met een tank!

B           Nee man, het is Armin niet.

A           Houd me niet langer in spanning, bitch.

B           Het is Jochem!

A           Jochem?! Is ie beter dan?!

B           Blijkbaar.

A           Jezus, B-tje, ik zie het.

B           Wat doet ie nou?

A           Hij loopt hard. Man, je hoort hem hier piepen.

B           Dit is toch niet goed voor zo’n jongen, hij is er echt te lang tussenuit geweest. Hij weet niet wat hem te wachten staat. Hé Jochem! Lul!

A           Jochem, pisnicht! Ga eens op de stoep man! Ja dat is een stoep! Nou ja, spring op die losse tegels. Pak die tegels. Niet?! Waar loopt ie nou naartoe?

B           In de paal. Ademnood. Abri Jochem, abri! Niet die Zeeman abri! Die houdt het niet!

A           Dan het trapje. Trapje omhoog bij dat bruidje, Jochem! Hij weet niet waar hij over moet steken.

B           Jochem, pas op, fietsophoping. Erlangs Jochem, erlangs!

A           Ach, midden in de plantenbak. Klim eruit Jochem, kom hierheen, naar de Sociëteit!

B           Hier is het bier Jochem!

A           Nee, niet daar, dat is al een jaar dichtgespijkerd!

B           A! Kijk, daar komt de 169! (je hoort een enorme klap, daarna stilte)

A           Jezus. (stilte)

B           Het laatste beetje humor dat Leiden nog bezat is zojuist ten onder gegaan.

A           Kim Yong Il, ik zei het toch. He slet, biertje? Ik haal het wel.

 II             2017

Het is 2017. In het midden van de Breestraat, onder het bordes voor het gemeenteraad staat de voltallige gemeenteraad. Wethouder C (man) spreekt vanaf het bordes, naast hem glunderend ambtenaar B (vrouw).

C           Daarom ben ik blij met jullie, mensen. Dat jullie hier durven staan. De voltallige gemeenteraad van binnen naar buiten. Een hoofdelijke stemming, wat heb je nodig? Een microfoon, een rechterhand, jullie gezond verstand. Omringd door de gewone man, de burger. Fijn mensen, dat jullie met zo velen hier zijn gekomen om dit historisch moment mee te maken. (B fluistert iets in zijn oor) Moment. Geeft u mijn lieftallige B alvast een applaus, wat zij aan inzet heeft getoond, dat is de titel ambtenaar niet waard. (gegniffel)

Ik vraag u te luisteren. (het is stil) Wat hoort u? Een fietsbel, een föhn. Of drie. Een rinkelende kassa en een boormachine. Juist. Ik zeg verder niets, ik laat de geluiden voor zich spreken mensen. Dan zijn woorden overbodig. Maar goed, dan zouden we hier morgen nog staan en aangezien mijn ambtenaren staan te popelen weer aan het werk te gaan, trek ik een spreekwoordelijke sprintje naar een fantastische apotheose van dit samenzijn. (neemt een slokje water, B knikt hem bemoedigend toe)

Vijf jaar geleden was dit een oorlogsgebied. Een warzone, een loopgraaf. Geen snelweg, maar het circuit van Zandvoort. Mensen waren bang, ja mensen, u hoort het mij zeggen, bang om hier te zijn. Zeker na het vreselijke…het niet meer uit de geschiedenis te wissen ongeval met onze geliefde cabaretburgemeester. Het heeft jaren geduurd voordat we collectief die klap te boven zijn gekomen. Deze plek is beladen, maar het is goed om hier met elkaar te zijn. (stilte) Hoor wat ik zeg: het is tijd om de openbare ruimte terug te vorderen. Niet de bus, maar de mens is de baas van deze straat.

De straat moet weer de veilige haven worden die het ooit was. Een haven waar iedereen welkom is, natuurlijk, maar wél met een mooie boot. Zoals de schoonheid van deze stad. Want kijk eens naar boven: wat een schitterende historie krijgt u hier gratis en voor niets. Alleen de mooiste boten krijgen een plek. Leggen aan met behulp van de beste stuurlui en zijn trots dat ze hier, in onze veilige haven mogen liggen. Het bootje heeft er plezier in de mensen zo te zien genieten van hun eten aan de kade, onder het genot van concertklanken. En na het eten laten ze het geld als vanzelf laten rollen; er is ook zoveel aanbod aan verfijnde winkeltjes. Aan het eind van de avond zakt de zon, het water spiegelt, je kijkt erin en ziet niet zomaar een boot. (gedragen) Wat je ziet heet gelukzaligheid.

             (zucht, kijkt naar B, die begint weer te applaudisseren terwijl ze een traantje wegpinkt, sommigen klappen mee)

En daarom besten, vraag ik jullie nu je hand omhoog te steken. Niet omdat ik dat wil, maar voor uw veiligheid én die van uw kinderen. Dus steek uw hand op als u nooit, maar dan ook nooit meer een bus – een lelijke aftands grachtenbootje – door onze haven wilt zien varen. Mensen, ban de bus!           

(iedereen steekt zijn of haar hand op, luid applaus volgt, ook van de mensen eromheen)

En dan nu: aan het werk! Er moet nog een hoop gebeuren voordat de boten binnen kunnen varen! Hup hup, kappers verenigd én verminderd u, winkeliers stal uw waar buiten, kunstenaars sta op en laat je zien, kinderen bouw je zeepkist, buren plant nieuwe bomen, koren oefen aan je smartlap, het festival is in zicht! (iedereen gelijk, bijna rennend af)

 B           Je was geweldig…

 C           Je hebt het zelf geschreven…

B           Niemand kan zo goed liegen als jij.

C           Mag ik dan nu met je naar bed?

B           C, je dochter heeft om 19.00 uur haar viooluitvoering

C           Ik heb het voor jou gedaan hè, pop?

B           Je krijgt er toch ook wat voor terug…

C           Onze Breestraat-ambassadeur waren we wel in één klap kwijt…kan ik nog steeds van balen, weet je dat.

B           Ik wil van die beelden af, snap je…nog elke nacht zie ik die blonde krullen onder de 169. Theo van Gogh was er niets bij… Als ik misschien iets harder had…maar ik zat vast C, ik zat vast…

C           Weg met dat schuldgevoel poppedein. Het wordt beter. Alles wordt meer. Heupjes zijn al weg, borsten nu vooruit. Hier, kom, kus me in de diefsteeg.

B           Nee, niet in de diefsteeg.

C           Hier, hier?

B           Ja, hier op het bordes, in het sfeervolle licht, in de Breestraat. Dit wordt de plek. Dit wordt onze veilige haven.

III            2022

            Op een terras bij het Rijnlandblok, uitkijkend over het water, zit onder een boom, een jonge jongen met blonde krullen, beetje heen en weer te wippen op zijn (strand) stoel. Hij is aan het schrijven op bierviltjes en neuriet wat.

 A           (op de muziek van Mexico, Mexico) Brestratio, brestratio!

(er komt een vrouw van ongeveer begin 30, huilend aangelopen, haar mascara is doorgelopen)

A           Hehehe! Anders kom je even hier zitten. Kom hier zitten. Mens! Luister nou eens! Kom hier zitten! Het is hier leuk. Leuk. Leuk. Schiet op mens, wat is er met je aan de hand?

B           Hij is weg.

A           Tuurlijk, je bent te oud, pop. Kijk naar mij, neem een jonge knul, (lacht) hahaha, dat had je niet verwacht hè? He luister, ik ben een lied aan het schrijven voor de heropening a.s. zaterdag. Brestratio, brestratio! Wat vind je ervan?

B           Het is af.

A           Nee, lieverd. Het is nog niet af. Maar dat geeft niet. Het is een ode, weet je. Een ode aan m’n pa. Ik was tien toen die doodging. Hier. Pats boem. De chauffeur was de Kim Yong Il onder de buschauffeurs…

B           En dus heeft hij me niet meer nodig.

A           Lullig hè? Toen reden hier nog bussen! Haha, kan je je voorstellen? Hier, bussen, door deze fantastische straat. Nu kan je hier shoppen man. Geen stoplichten. Bomen. Slingerpaadjes. Ik klim graag in een boom, weet je?

B           (over zichzelf) Geweldig projectleidster. Hart voor de zaak. ‘Geweldig schat wat je allemaal voor elkaar hebt gekregen: langere openingstijden, kraampjes op zaterdag, ruimte voor experiment. Zonder jou was het mij allemaal nooit gelukt.’

A           Jaha, dat zie ik ook gelijk. Dat straal je uit. Kom niet zo janken joh, kijk nou eens  om je heen. Wat er allemaal is. Zie je: gevels. Er staan hier gevels. Man, m’n pa zou zo trots zijn geweest.

B           Ik ben de afgelopen vijf jaar niets meer voor hem geweest dan zijn opstapje naar de landelijke politiek.

A           Ach, schatje, dushi. Je bent jong. Er ligt nog een hele Breestraat voor je (lacht om eigen grap). Weet je dat ik al van het zwevend dakterras aan het stadhuis gesprongen ben? Zo de bomen in. Zonder touwen. Geweldig. M’n pa zou zo trots op me zijn geweest.

B           (cynisch) Nou meneer Maters, ik wens u er alle geluk bij.

A           Zaterdag is de opening hè? Plein aan bij het Gangetje is zo fantastisch. Wist jij, schatje, en nu vrolijk ik je op, liefje, dat weet ik, dat er mensen uit Amsterdam komen om hier te zien en gezien te worden? Trendy en kwaliteit. Maar dan zonder dat arrogante.

B           Hij heeft dat hele Stadslab nog opgericht. Maar het was hem niet om Leiden te doen. Meneer Maters wilde macht. Van tekstschrijvertje, naar wethouder naar minister president. Mijn zegen heeft ie.

A           Stadlab?

B           Ja,  en jij weet ook niet meer wanneer de WOII begon.

A           Nou…

B           Maar als ie maar niet vergeet dat ík het Modern Art het oude postkantoor in heb gekregen…ik heb er heel wat nachten voor…

A            Gatver..

B           Maar dat hele Stadlab heffen ze nu op. Niet meer nodig. De stad is klaar. Alles is af. Nieuwe ondernemers. Nieuwe hotels. Zelfs nieuwe vogelsoorten in de bomen. Goede publiciteit voor de nieuwe dependance van Naturalis.

A           Lieve schat, ik zou willen dat ik je wat op kon vrolijken. Ik ben een optimist hè? Het leven is een feestje. Kijk nou eens om je heen. Dit gebouw, Rijnlandblok toch? Afzichtelijk gebouw eigenlijk, als je goed kijkt. Maar je ziet het niet, want er gebeuren hier zulke toffe dingen. Hier begint het hè? Hier zit de harde kern. En een geweldig restaurant. Als je dat nou bedenkt, dat niet alles is wat het lijkt en andersom. Ik schrijf hem op, geweldig iets voor m’n volgende programma. (schrijft iets op een bierviltje) Dan kom je een heel eind, pop. Ik zeg: biertje?

B           Graag.

 

 

 

           

 

 

  

 

 

 

 

Advertenties

theaterrecensie: – Prachtig idee met teleurstellende uitvoering.

theaterrecensie: Wunderbaum – Spookhuis der Geschiedenis – Uitgesproken en moedig.

Restant

Geplaatst: juni 13, 2012 in Uncategorized

Kort verhaal
Zondag 10 juni voorgelezen bij literair concert i.s.m. Aglaia ensemble

Restant

Haar kokerrok kruipt op. Tot net boven haar knie. Omdat ze moet bukken. Rotkatten. Ooit zijn ze haar door Magnus in de maag gesplitst. Twee vale Siamezen om haar gezelschap te houden. Haar broer kent haar niet, ze kan zich uitstekend alleen vermaken. Ze heeft geen kat nodig en zeker geen twee. Zorgvuldig legt ze de kipfilet in het bakje onder haar houten bureau. Ze heeft het bewaard, gisteren had ze geen zin om te eten. Het regende.
De katten rekken zich uit bij het ruiken van de kip, langzaam richt de meest felle van de twee, ze hebben geen naam, zijn kop op, geeuwt als een oude man en kromt zijn rug in aanvalshouding. De ogen van de kat kruisen die van haar. Zij durft langer te kijken. Altijd. Dan komt het beest in beweging en loopt op het voederbakje af. Vlak voordat hij zijn tanden in het eten kan zetten, grist ze het stenen bakje weg. In één hap propt ze de resten van de kip in haar mond. Het stuk is zo droog dat het blijft steken in haar keel. De kraan moet nog steeds gemaakt worden, ze kan niet alles, daar zit een grens aan. Bij het aanrecht cirkelt de kat om haar benen, haar handen klemt ze om de rand van het granieten aanrechtblad. Dooreten, niet toegeven. Het zachte strelen van de kat om haar huidkleurige panty maakt haar misselijk. Kauwen. Slikken. Herkauwen. Ze hangt haar hoofd onder de kraan en blijft drinken tot niets haar meer herinnert aan het droge, koude stuk vlees. Ze pakt het enige glas dat ze heeft, en vult het met water. Wacht en gooit het met een ferme zwaai over de kop van de kat heen.

Dat zal je leren je zo ondergeschikt te maken. Je afhankelijkheid te tonen. Aanhankelijkheid maakt je ziek. Niemand maakt waar wat jij waar wilt maken. Slachtoffer. Toen Magnus met die doos binnen kwam, wist ze het al: hier kon nooit sprake zijn van een gelijkwaardige verhouding. Katten hebben je nodig. Zij kan alleen voor zichzelf zorgen, dat weet Magnus best.

Met de staart tussen de benen kruipt de kat onder het bed. De ander, die uit angst is blijven zitten, kijkt haar verdwaasd aan, maar zij kan langer kijken. Siamezen kunnen zo’n slachtofferige blik in hun ogen aannemen, net als mensen. Het maakt het beest menselijker dan het in werkelijkheid is. Een absurde situatie: een wild beest temmen en in een zolderkamer opsluiten. Een ongetemd dier hoort niet binnen vier muren om vervolgens je huis te bevuilen. Een huis moet schoon blijven. Sober en zuinig. Ze gaat aan haar bureau zitten en legt haar handen op de kale houten tafel. Lange slanke vingers met afgekloven nagels, een blanke huid, de aderen zie je lopen. Wat kun je met zulke handen? Welk voordeel biedt dat het leven haar? Als kind speelde ze piano, maar de naar karnemelk riekende adem en de zweetplekken op de rug van de pianoleraar – hoe heette hij ook alweer – zorgde dat ze stopte met spelen nog voordat ze haar talent had aan kunnen spreken. Meneer Swart met een S. Meer dan een octaaf met één hand haalde ze.
Ze zou de kat met haar handen kunnen omhelzen. Nooit aaide ze die monsters. Het was onhygiënisch, besmettelijk. Ze moesten maar warmte zoeken bij elkaar. Zij had al genoeg aan haar eigen lichaam. Zo’n omhelzing zou weinig kwaad kunnen, als ze niet al te hard door zou drukken.
Als ze haar handen op haar borsten legde, verdwenen haar borsten volledig door de grootte van haar handen. Op een warme zomeravond deed ze het wel eens. Naakt ging ze dan op haar dekens liggen en hief haar armen hoog boven zich. Ogen dicht. Daarna liet ze haar armen zakken, eerst de ene borst, dan de andere. Bedekt, verstopt. Te zacht. Vaak sliep ze die nacht slecht.

Buiten hoort ze de buurtkinderen naar school gaan. Het moet nog vroeg zijn. De krant van de onderbuurman is nog niet bezorgd. Ze hoeft het niet te lezen. Aan haar eigen leven heeft ze genoeg. Waarom moet je iets weten waarop je toch geen invloed hebt? Het gejengel van de kinderen maakt haar onrustig. Haar handen lagen eerst zo zorgvuldig uitgestald op haar bureau, maar door de geluiden van buiten beginnen haar vingers te trillen. En daarna haar oogleden, haar wangzakken, haar borstkas. Ze staat op, schuift het dakraam open.

‘Ga weg! Ga naar school! Waarom schreeuwen jullie zo? Waarom praten als je kunt zwijgen? Waarom houden jullie met niemand rekening? Stelletje egoïstische krengen. Waarom zijn jullie niet gewoon stil? Ik sluit me op, ben niemand tot last. Rotkinderen.’

Zonder erbij na te denken bukt ze, haar rok kruipt op, ze pakt het stenen bakje van de katten. Die hebben het toch niet nodig. Ze hoort het op de stoep vallen als een schedel die kapot wordt geslagen met een hamer. Even schrikt ze. Het zou een hoop rotzooi gegeven hebben als het op het hoofd van één van de kinderen terecht was gekomen. De politie zou haar gezocht en gevonden hebben. Ze wil hier blijven. Hier is ze niemand tot last. Zelfs Magnus snapt dat. Hij weet dat hij haar niet meer moet opzoeken, dat ze de deur voor niemand open doet. Dus ook niet voor haar broer. Jaren geleden stond hij met die doos met stinkkatten voor de deur. Hij begrijpt dat ze liever alleen wil zijn.

Even staat haar hart stil. Als dat had gekund. Er wordt zacht op de deur geklopt. Zou ze toch door die rotkinderen verlinkt zijn? Het kwam toch niet op hen terecht? Waar maken ze zich dan druk om? De postbode klopt niet meer bij haar aan sinds ze hem duidelijk heeft gemaakt dat brieven en pakketjes niet voor haar bedoeld zijn. Ook al staat haar naam erop. Zij is geen geadresseerde. Nog één keer probeerde hij het; met dat vlassige snorretje en die puist in de hoek naast zijn neus, verstoorde de ge-uniformde man haar regelmaat. Het ene been maakte een bonkend geluid toen hij de stenen trap afliep, het andere hoorde je niet meer. Nooit meer gezien.

En nu werd er aangeklopt. Zacht. Iemand met weke handen.
Waarom zou ze open doen? Wat zou ze zich op de hals halen? Wat moet iemand met haar bespreken? Ze heeft niemand iets te zeggen en andersom ook niet. Het is goed zoals het is. Stil, geruisloos. Nu klopt die nare volhouder harder. Dit valt onder bedreiging, opdringen. Het is niet nodig, er hoeft bij haar niet opgedrongen te worden. Daar zit zij niet op te wachten.

De bel heeft ze toch al jaren geleden uitgeschakeld? Waar komt dat geluid vandaan? Snel stuift ze naar de deur voordat er binnengedrongen kan worden. De vier sloten die verspreid zitten over de deur checkt ze één voor één. Alles op slot. Nog een keer. Draaien. Klikken. Opsluiten.

Ze weet niet, waarom het ineens mis ging. Waarom de man ineens in haar kamer stond. In haar haast werd ze afgeleid. Of was het het geluid, de zoete geur van appeltaart die onmiskenbaar onder de deur door kwam. Bedwelmend. Het moet een moment van onoplettendheid zijn geweest. Waarom liep hij op haar af en raakte hij haar met een uitgestoken hand voor het eerst aan. Hoe kon ze zo stom zijn geweest? Hoe kon de hand zo zacht voelen dat ze er geen enkel naar gevoel aan overhield?

‘Ik ben Ben. Of Jacob. Of Albert,’ zegt de man. Hij kan niet ouder zijn dan 30. Het is eigenlijk nog een jongen. ‘Wat jij mooi vindt’, glimlacht hij.
Nog nooit had er zo’n jonge jongen in het midden van haar kamer gestaan. ‘Mag ik plaatsnemen?’ Ze knikt omdat hij het zegt. ‘Ik zie dat je maar één stoel hebt.’ Hij glimlacht alsof hij net op de wereld is.
‘Ben. Ben vind ik wel leuk.’
Haar stem kraakt. Het lage, kalme geluid heeft ze zelf ook in jaren niet gehoord. Misschien voor het laatst, toen hij…

Maar dat was te lang geleden.
‘Ben. Kan ook Benjamin zijn. De jongste.’
‘Ik vind het goed. En hoe heet jij?’ Hij loopt een stap naar haar toe.
‘Dat weet ik niet meer. Ik ben het vergeten.’ Wie riep haar naam nu nog?
‘Dat gebeurt mij ook wel eens’, zei hij, ‘daarom verzin ik er elke dag één bij. Dan kun je je nooit vergissen.’ Ze staat ongemakkelijk op één been tegen het aanrecht geleund. De katten zijn inmiddels allebei ver onder het bed gedoken. Van hen heeft ze voorlopig geen last, die durven echt niet tevoorschijn te komen.

‘Wil je thee?’ hoort ze zichzelf vragen. ‘Je kunt uit mijn kopje drinken.’
De man, jongen, knikt.
‘Mag ik dan ook op jouw stoel zitten?’
‘Liever niet’, zegt ze. ‘ Dan weet ik niet waar ik moet zitten.’
‘Ik blijf maar even’, antwoordt de jongen.
Dat moest ze nog zien. Er zijn meer mensen geweest die zich als toevallige voorbijgangers in haar leven hadden gepresenteerd, maar waar ze moeilijk vanaf was geraakt. Ze wijst naar de stoel en trekt zichzelf op het granieten aanrechtblad. Het voelt koud aan, haar rok is omhoog gekropen. Hoe kan ze die zonder al teveel op te vallen weer naar beneden trekken? De fluitketel fluit. De jongeman, Ben, staat op en draait de knop omhoog.
‘De thee zit in de bus op de plank, ik heb alleen kruidenthee, iets anders verdraag ik niet.’
Ben loopt naar het aanrecht, daar waar zij zit. Ze voelt dat hij dichterbij komt, maar hij is niet zo warm als zij en bij het omhoog tillen van zijn arm kan ze geen zweetplek ontdekken. Hij ruikt eigenlijk nergens naar. Wat was het dan dat ze onder de deur door geroken had? Het was toch onmiskenbaar de geur van appeltaart geweest. Even heeft ze de gedachte hem aan te raken, met haar lenige vingers zijn hals te omklemmen, maar ze houdt zich in.
‘Heb je een pakje voor me?’ vraagt ze.
‘Nee’, zegt de jongenman verbaasd. ‘Ik ben hier voor jou.’
‘Hoe heb je me dan gevonden?’ Ze ziet dat er een ladder in haar panty is gekomen, hoe moet ze dat verantwoorden? Naar zichzelf. Naar hem. Wat moet hij met een imperfecte vrouw? Ze voelt hoe de smaak van de kip naar boven komt, ze moet drie keer slikken om het niet meer te proeven. Misselijkmakend. Onvolledig.
‘Ik denk dat ik over je droomde’, fluisterde hij ‘dat je hier was en dat je alleen was. Dat kon ik toch niet laten gebeuren?’ Haar wimpers knipperen, het kietelt. In haar buik kriebelen kleine luchtbelletjes alsof er een school visjes zwemt. Haar tong tintelt bij het uitspreken van de woorden.

‘Denk je dat er iemand is die je stuurt? Dat er iemand is die ervoor zorgt dat ik in je dromen langskom? Je moet weten, Benjamin, dat ik nooit de deur open doe. Mijn huis is een landschap waar alleen ikzelf rondloop, waar alleen ik de natuur beheer. Het is een niemandsland. En nu ben jij erin gaan zitten. Ik weet niet of dat past, of dat kan.’

Hij staat op van de stoel en loopt naar haar toe. De kou van het blad trekt steeds verder haar lichaam in. Ze beeft even als hij haar hand vastpakt. Zijn hand is koud, haar hand te warm.
‘Ik ben ineens zo moe.’ Benjamin slaat zijn andere arm om haar middel en tilt haar van het aanrechtblad. Ze kan zich nog net op tijd omdraaien om de kipresten die naar boven komen in de wasbak uit te spugen. Vermengd met haar gal lijkt het op de uitwerpselen van de katten die ze dagelijks uit het dakraam naar beneden gooit.
‘Het geeft niet, ik ruim het wel op. Ik ben het gewend.’
Deze jongen is het wel gewend. Daar had ze al op gehoopt, dat het een expert, een ervaringsdeskundige was. Dat hij niet gek opkijkt van spugende meisjes met een ladder in hun panty. Ze voelt zich zo moe, haar oogleden kan ze bijna niet open houden. Leg me op het bed, vlij me neer en zing een lied.

Zo is het goed, zo kan ik slapen.
‘Ik blijf bij je zitten, goed?’ Zonder haar antwoord af te wachten, schuift hij de stoel naar haar toe en streelt met zijn koude hand haar wangen. Het voelt prettig, zo heeft nog niemand haar aangeraakt. Zelfs…maar daar wil ze niet meer aan denken. Hoe kan het dat iemand zo snel haar radar uitschakelt? Hoe kan het dat ze niet meer denkt aan de sloten op de deur en de verkeerd bezorgde pakketjes? Hoe kan het dat ze zo verschrikkelijk moe is dat ze toelaat dat hij haar huid streelt. Benjamin, de bleke jongeman. Is hij degene die haar meeneemt op reis?
De wereld in, haar opnieuw het leven laat leven? Ze droomt van een ijssalon waar ze citroenijs bestelt, een speeltuin waar ze op een schommel de wolken aan kan raken met haar voeten en een wereld waar de straten zacht zijn als een suikerspin. De harde spiralen van het matras die normaal haar rug altijd bezeren zijn verdwenen en ze voelt dat ze steeds dieper wegzakt. Nog even voelt ze dat hij haar schoenen uittrekt en haar panty van haar benen stroopt. Dat hij naast haar komt liggen vindt ze niet erg, hij is de enige die dat mag doen. Zuchtend. Stokkend. Stil.

Als de katten onder het bed vandaan komen, en ze naast haar in het bed gaan liggen, zijn haar ogen nog steeds gesloten. Het is donker. De katten zijn warmer dan zijzelf. De felste van de twee springt boven op haar, duwt zijn kopje in haar hals, ze beweegt niet. Benjamin is verdwenen, de kamer is leeg. Op het aanrecht staat een kopje met afgekoelde thee, het theezakje er nog in.

Recensie De Broekophouder

Link  —  Geplaatst: april 27, 2012 in Uncategorized

‘Ik wilde gewoon eens een Indiaan spelen.’ Ik citeer Jeroen Willems, gevierd acteur, over zijn rol in de voorstelling flow my tears van de Veenfabriek. Over deze voorstelling heb ik onlangs een recensie geschreven. Het was een ingewikkelde voorstelling, met muziek van de 16e eeuwse componist Dowland, een live-orkest, twee Indianen, onderkoeld spel en een poëtische tekst. Het kijken naar de voorstelling vergde al veel inspanning, maar er een gedegen recensie over schrijven bleek nog veel lastiger. Het verband tussen de Indiaan en Dowland was een van de moeilijk te interpreteren elementen. Er werd in de voorstelling gesuggereerd dat Dowland altijd op zoek was geweest naar de Indiaan in zichzelf en een fascinatie voor dit volk had opgevat. Vanuit dat perspectief interpreteerde ik vervolgens de hele voorstelling. En nu lees ik gisteren in de krant dat Jeroen Willems gewoon eens een Indiaan wilde spelen! Niets geen doorwrochten idee over vrijheid, het thema geloof/ongeloof, en het nog mogen opgaan in een eigen werkelijkheid. Hij wilde gewoon een Indiaan spelen. Zoals hij dat vroeger met zijn vriendjes deed. In een echt pak, met pijl en boog en ook nog een mooie Hahiwata aan zijn zij. Ik voel me als kijker bekocht door deze bekentenis. Ik wil dat er over dit soort elementaire keuzes nagedacht is.

Steeds vaker hoor ik om me heen dat er in het theater gevoelsmatig keuzes worden gemaakt. Van mijn leermeesters leerde ik dat alles op het toneel betekenis heeft, dat elke blik, elk gebaar, elk voorwerp past in het idee van de regisseur. Onlangs interviewde ik een van de meest geroemde theatermakers van nu. Na de première had hij het einde nog totaal veranderd. Het ‘klopte niet’ voor zijn gevoel. In de nieuwe versie blijft er een ander personage als laatste achter op het toneel. Dat is nogal wat! Als je de premisse van je stuk kent, is er eigenlijk maar een onontkoombaar antwoord. Wat wil je zeggen? Wie is de hoofdpersoon? Welke ontwikkeling maakt hij door? En welke keuzes moet ik daar dus voor maken? Als je na de première nog gaat goochelen met personages en eindbeelden, heb je daar van tevoren geen duidelijk idee over gehad.

Ik ben in de war. Misschien hecht ik teveel waarde aan een kloppend verhaal, misschien zit mijn behoefte aan een visie, een analyse, me teveel in de weg. Durf ik niet los te laten en me mee te laten voeren in de flow van een voorstelling. Maar ook als je je in eerste instantie baseert op intuïtieve keuzes, moet dat uiteindelijk toch samen vallen met hetgeen je het publiek wilt vertellen?

Ooit hoorde ik een theatermaker zeggen: ‘ach, voor een  volgende voorstelling trek ik gewoon een Strindberg uit de kast.’ Hoe is het mogelijk dat zo iemand een van de grotere gezelschappen van Nederland leidt? Waar is de visie, de lust, de passie? Waarom wordt er niet goed genoeg nagedacht? Het mogen maken van theater is een kostbaar bezit. Daar moet je met vertrouwen mee omgaan. Geen laconieke keuzes. Het moet kloppen, het mag niet van toevalligheden aan elkaar hangen. Natuurlijk is het moeilijk het vuur altijd brandend te houden, maar als je merkt dat het niet lukt, wees dan zo dapper om het te doven en de beperkte middelen die er zijn over te dragen aan iemand die wel het wel wil en kan.

 

 

theater interview: Jakop Ahlbom over ‘Lebensraum’ – ‘Ontdekken is belangrijker dan begrijpen’.